toeter

mannelijk (de)/ˈtutər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziekinstrument (muziekinstrument) trechtervormig instrument waardoor lucht wordt geblazen om geluid te maken
  2. apparaat waarmee de bestuurder van een vervoermiddel een luid waarschuwingssignaal kan voortbrengen
  3. drinken, informeel (drinken) (informeel) glas alcoholische drank
  4. metonymisch (metonymisch) geluid dat wordt voortgebracht door een hoorn of claxon

Etymologie

*: "toeteren" zonder de uitgang -en

Uitdrukkingen

  • met alle toeters en bellen