toetoep

mannelijk (de)/ˈtutup/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) (Nederlands-Indië) hoog gesloten jasje met opstaande kraag voor mannen in een formele omgeving
    Hij had z'n toetoep uitgetrokken en was bezig met een handdoek zijn nek droog te wrijven. Hij had een hagelwit singletje aan en ik stond verbaasd over zijn enorme atletentorso en de geweldige, gespierde armen. Onder de wijde toetoep had je zo'n prachtlichaam niet verwacht. Wat zaten er vaak een iele, tengere klerkjes onder.

Etymologie

*(verkorting) van "toetoepjas" of direct van "jas tutup" ("tutup" "dicht, gesloten")