toetser

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die iets controleert
    Het is bekend dat de ’parade der toetsers’ van het gemeentelijk bouw- en woningtoezicht niet voorop lopen, als het gaat om kennis van en interesse in nieuwe ontwikkelingen. Een goed begin zou zijn om van overheidswege deze nieuwe ontwikkelingen te stimuleren en toe te passen en eventuele ’hindernissen’ binnen diezelfde overheid te slechten. De Telegraaf 10 apr. 2018 [https://www.telegraaf.nl/watuzegt/1890915/bouwtoezicht-loopt-achter ’Bouwtoezicht loopt achter’]

Etymologie

* van toetsen