toko

/ˈtoko/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. winkel
    Zij is een toko in kinderkleertjes begonnen.
  2. winkel voor Indonesische gerechten en ingrediënten
  3. schertsend, figuurlijk (schertsend) (figuurlijk) bedrijf
    Voor het restaurant zoeken we een ervaren chefkok die weet hoe je zo'n toko moet runnen.

Etymologie

*uit het toko