tolk

mannelijk (de)/ˈtɔlᵊk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
    Ik wil graag als tolk voor uw bedrijf werken.

Etymologie

* Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘mondeling vertaler’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477

Vertalingen

Engelsinterpreter
Fransinterprète
DuitsDolmetscher
Spaansintérprete
Italiaansinterprete
Japans通訳, つうやく, tsuuyaku
Poolstłumacz
Zweedstolk
Deenstolk