tomaat
mannelijk/vrouwelijk (de)/toˈmat/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (fruit) (groente) (voeding) een eetbare vrucht van de tomatenplant die toch meestal als groente wordt beschouwdIn Nederland groeien tomaten in kassen.
- (bloemplanten) uit Zuid-Amerika afkomstige nachtschadeachtige plant waaraan bovengenoemde vruchten groeien
- (kleur) de zachte rode kleur van tomaten
Etymologie
* Via het Spaanse tomate afgeleid van xitomatl (Nahuatl)
Vertalingen
Engelstomato
Franstomate
DuitsTomate
Spaanstomate, tomatera
Italiaanspomodoro, tomato
Portugeestomate
Russischпомидор, томат
Chinees番茄
Turksdomates
Poolspomidor
Zweedstomat
Deenstomat
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek