tompouce

mannelijk (de)/tɔmˈpus/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) in Nederland veel gegeten rechthoekig gebakje, bestaande uit een laagje bladerdeeg met daaroverheen een dikke laag vanillebanketbakkersroom, daaroverheen zit weer een laagje bladerdeeg bedekt met een laagje, meestal roze of oranje, glazuur
    De tijd dat pa en ma alleen een tompouce bij de bakker haalden na de examenuitslag, lijkt definitief voorbij. Ouders gaan voor groot, groter, grootst wanneer hun kind geslaagd is op de middelbare school. Uit een enquête van deze krant onder 275 ouders blijkt dat vier op de vijf flink uitpakken met een cadeau. Tubantia Bettine Winters en Hanneke van Houwelingen 20-05-17 [https://www.tubantia.nl/binnenland/reisjes-geld-en-telefoons-slagen-wordt-vet-beloond~a3169904d/ Reisjes, geld en telefoons: slagen wordt vet beloond]
    In september vorig jaar ontstonden de eerste verzakkingen. Gisteren zakte opnieuw een groot stuk de diepte in. Bij het plaatsje Tribsees (zo'n 200 kilometer ten oosten van Hamburg) oogt de snelweg over een lengte van honderd meter als de verbrokkelde suikerlaag van een tompouce. Tubantia Ton Voermans 12-02-18 [https://www.tubantia.nl/binnenland/duitse-snelweg-zakt-weg~a90aed29/ Duitse snelweg zakt weg]
  2. historisch (historisch) korte paraplu voor dames
    De wind stak op. En de grauwe lucht werd al-dreigender. Carry klemde de tompouce vaster onder de arm. Enfin, je hoed en je bont dat was 't voornaamste, als je die dan maar droog kon houën, en je roos dan... en je schoenen, nee je schoenen, dat zou niet gaan.
    {{ouds
  3. historisch, verkeer (historisch) (verkeer) klein rijtuig
    {{ouds
    {{ouds

Etymologie

**[2] om het verschil in formaat met een gewone paraplu aan te geven