toneel
onzijdig (het)/toˈnel/
Wat is de betekenis van toneel?
toneel betekent: een ruimte gereedgemaakt voor een vertoning of optreden voor een publiek
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een ruimte gereedgemaakt voor een vertoning of optreden voor een publiek
- kunstvorm die gebruik maakt van [1] om een publiek op een schouwspel te vergasten
- een schouwspel dat zich ontvouwt alsof het een toneelspel was
Voorbeelden van "toneel" in een zin
- Het was maar een klein toneel, maar ze maakten er goed gebruik van.
- 'Ik ben op het toneel al zo vaak getrouwd geweest dat ik het daarbuiten beslist niet wil zijn'.
- Als Thea er oogverblindend uitziet, recht van het toneel van de schouwburg, dan is deze man wel haar tegenpool.
- Het toneel was altijd al zijn grote liefde geweest.
- De tonelen die zich na de machtsovername afspeelden zijn nauwelijks te beschrijven.
Etymologie
* In de betekenis van ‘podium, verhoging in schouwburg’ voor het eerst aangetroffen in 1539
Uitdrukkingen
- van het toneel verdwijnen — niet meer in de openbaarheid bestaan
Vertalingen
Engelsscene, stage, theatre
Spaansescena, escenario, teatro
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek