toppunt
onzijdig (het)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- hoogste punt
- (figuurlijk) beste, meest ontwikkelde zaakDe Nationale 7 is verbonden met de opkomst van de auto in de jaren twintig en dertig. Destijds hadden auto's kleine brandstoftanks en gingen ze vaak kapot. Daarom barst het langs de route van de pompstations en garages, veelal opgetrokken in een betonnen art-decostijl, destijds het toppunt van moderniteit. Vele zijn vervallen, sommige zijn gerestaureerd, zoals een klassiek pompstation in Valence. Het mooiste voorbeeld van deze stijl ligt strikt genomen niet aan de Nationale 7: de Citroëngarage in Lyon.
- (wiskunde) hoogste punt van een functie (extreem)
Etymologie
* In de betekenis van ‘hoogste punt’ voor het eerst aangetroffen in 1608
Uitdrukkingen
- Dat is het toppunt! — (om aan te geven dat men boos of verbaasd is
Vertalingen
Franscomble
Spaanscúspide, cumbre, vértice
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek