toren

mannelijk (de)/tɔːrə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) een smal hoog bouwwerk
  2. schaak (schaak) een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘hoog bouwwerk’ voor het eerst aangetroffen in 1201

Vertalingen

Engelstower, rook
Franstour, tour
DuitsTurm, Turm
Spaanstorre, torre
Italiaanstorre, rocco, torre
Portugeestorre, torre
Russischбашня, ладья, тура
Turkskale
Poolswieża
Zweedstorn
Deenstårn