trachea
vrouwelijk (de)/traˈxeja/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) buis voor ademhaling die bij mensen en andere warmbloedige dieren de keel met de longen verbindt
- ademhalingsbuisje bij insecten
- houtvat voor het transport van water in planten
Etymologie
*via Latijn "trachia" van τραχεια (tracheia) "luchtpijp"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek