traditionalist

mannelijk (de)/traˌditʃonaˈlɪst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die wil vasthouden aan de opvattingen en handelwijzen die we van voorgangers hebben geleerd
    Heppener hield in de jaren vijftig tot zeventig afstand van het serialisme; de soms extreem doorgevoerde rationalisering die toen de Europese muziek domineerde. Dat leverde hem aanvankelijk het stempel van traditionalist op, al schuwde hij de atonaliteit niet. Sinds de jaren tachtig, toen de traditie uit de taboesfeer kwam, kreeg hij steeds meer erkenning.

Etymologie

*gevormd uit "traditionalisme" ; vergelijk """ en "tradionaliste"