tramhuisje

onzijdig (het)/ˈtrɛmhœyʃə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde, verkeer (bouwkunde) (verkeer) wachtruimte bij een halte voor bovengronds personenvervoer via rails in de straat
    Er kwamen flitsende abonnementen- en mediacampagnes, flyeracties, direct mail, veel en opvallende posters op driehoeksborden en in tramhuisjes.
    Het was al laat op die bewuste avond toen ik bij het eindpunt in het tramhuisje zat.