trance

mannelijk/vrouwelijk (de)/trɑ̃s/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een dissociatief verschijnsel waarbij iemand een ander bewustzijnsniveau heeft en waarbij het persoonlijke identiteitsgevoel verminderd kan zijn
    Uren gingen voorbij en al had ik geen mushrooms geslikt, toch voelde ik me high en als in een trance betoverd door alles wat ik om me heen zag.
  2. een muziekgenre

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘geestvervoering’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1874

Vertalingen

Spaanstrance