trapezium
onzijdig (het)/trɑˈpezɪʏm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (meetkunde) een vierhoek waarvan twee zijden evenwijdig lopen
Etymologie
* Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘vierhoek met twee evenwijdige zijden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1654
Vertalingen
Engelstrapezoid, trapezium
Franstrapèze
DuitsTrapez
Spaanstrapecio
Italiaanstrapezio
Portugeestrapézio
Poolstrapez
Zweedstrapets
Deenstrapez
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek