travalje

/traˈvɑljə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. paardrijden (paardrijden) constructie waarin een paard kan worden vastgezet om hoefijzers vast te kunnen maken

Etymologie

*van Middelnederlands "travaelge", via "travail" teruggaand op Latijn "trepalium" "martelwerktuig dat uit drie palen bestond"

Uitdrukkingen

  • halje-travalje