woorden
boek
Start
›
T
›
travers
travers
vrouwelijk (de)
/traˈvɛrs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
dwarsbalk, dwarsstraat, dwarsovergang, oversteek
Etymologie
* uit het Latijn
Synoniemen
traverse
Bron:
OpenTaal
&
WikiWoordenboek
← traven
Traverse →