treef

mannelijk (de)/tref/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) (Suriname) persoonlijk taboe op een levensmiddel
    Door verraad van een tot vrouw betoverde aap, die Boni Okilifoe zijn treef ontfutselt, verliest Boni de strijd.
  2. voeding (voeding) (Suriname) levensmiddel dat voor iemand een persoonlijk taboe vormt
    Volgens sommigen kan het eten van je treef lepra veroorzaken of verergeren. Speciale trefen van lepra zijn rundvlees, varkensvlees, schildpad, ongeschubde vis (gratfisi), gordeldier (kapasi) en ‘bosvlees’ (‘wild’).
    Ik had gelukkig nog nimmer varkensvlees gegeten. Het was treef voor mevrouw. Dus werd het nooit in huis gehaald.
zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap, kookkunst (gereedschap) (kookkunst) uit stevig materiaal gemaakt rooster op pootjes dat wordt gebruikt als onderzetter
    Zet de puddingvorm liever op een treefje in een pan en vul deze tot tweederde van de vorm met kokend water.
    Bij het goede leven op het platteland hoort een andere stijl, de Engelse 'cottage-style', traditioneel, gezellig en nostalgisch. Bij die stijl passen natuurlijk antieke meubels, Schotse plaids en Liberty-gordijnen, maar ook gekrulde, gietijzeren kandelabers, emaille mokken en kannen, keukenpompen, vogelkooitjes, klompenrekken, takkenbezems, verroeste zeven en treven, rieten mattenkloppers, manden, manden en nog eens manden, en, als de twee absolute toppers: het ouderwetse, houten, drietredige keukentrapje, blauw-grijs, donkerrood of grachtengroen geverfd (…) en het droogrek uit moeders of grootmoeders tijd.
    Deze Keetel wierd met Kranen, (zo als men hier de Maste meede in de Scheepen zet) en met domme krachten op een Treef gezet, en als 'er in de Winter aan het einde onder gestookt wierd zo kookte daar het waater, en aan de andre zeyde was het bevroozen eer het vuur aan was.
zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) (Limburg)(dwars-)balk

Etymologie

*[C] via "tref" van Latijn "trabem"

Vertalingen

Engelstreyf, trafe, traif