tres

mannelijk/vrouwelijk (de)/trɛs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) boordsel of oplegsel van gevlochten goud- of zilverdraad of zijde
    In vroeger tijden ging de soldaat op zijn paasbest ten strijde: felgekleurd, beladen met tressen, goudgalon en wuivende pluimen. (…) En met slechts weinig ontleningen was de indrukwekkende verschijning van de militair voor de burger bereikbaar: wat galon, een tres of ‘brandenbourgs’ was voldoende voor een oogverblindend resultaat.

Etymologie

* van "tresse" "vlecht", in de betekenis van ‘boordsel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1791