treurtijd

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tijd die men neemt om over iets te rouwen
    Allen hebben we één' gekend,In den treurtijd der ellend',Die zichzelf wat groots verbeeldde,En met duizend levens speelde;Maar, verdrongen van de baan,Pruilt hij, nu wij spelen gaan, Willem Hendrik Warnsinck (1818)– [tijdschrift] Vaderlandsche Letteroefeningen [https://www.dbnl.org/tekst/_vad003181801_01/_vad003181801_01_0256.php Kinderspelen.]