triduüm

onzijdig (het)/ˈtridywʏm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. periode van een driedaagse godsdienstoefening
    In de trappistenabdij van Westvleteren is de cd "Triduum Paschale, Pasen in polyfonie en abdijzang" voorgesteld. Op de cd, die tot stand kwam met de steun van het Davidsfonds, zingen 5 van de 23 broeders Gregoriaanse paasliederen, met steun van het Ensemble Psallentes en het mannenkoor Capilla Flamenca. Dat meldt Kerknet dinsdag.
    Het Franse ensemble Il Seminario Musicale breng de Triduum Sacrum - de Heilige Driedaagse - tot klinken aan de hand van bijbehorende composities van François Couperin en Marc-Antoine Charpentier, de Leçons de Ténèbres.

Etymologie

* uit het Latijn