trijs
mannelijk (de)/trɛis/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) constructie met een takel om zware dingen omhoog te hijsen
- (scheepvaart) (geschiedenis) touw waarmee de blinde en schuifblinde ra op een zeilschip worden gehesenDe drie nieuwe boeken over oude scheepsbouw zijn geschreven door gedreven specialisten, die zich jarenlang met liefde en grote kennis van zaken hebben uitgeput om ook het kleinste detail te kunnen reconstrueren. (…) De lezer moet voorbereid zijn op enige wiskundige formules, op technische tekeningen en op het overigens prachtig scheepsbouwkundig jargon vol vingerlingen, zwiepingen en toppenants en veel woeling en trijs.
- (bouwkunde) balk haaks op de gevel van oude pakhuizen waaraan goederen kunnen worden opgehesenDe oostelijke topgevel heeft een symmetrische hoofdvorm met onder meer een trijs en bevestigingspunten voor een losvloer.
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) takje, riet{{ouds|1805
Etymologie
*[B] samentrekking van "het rijs"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek