Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.
triloog
/ˈtrɪlox/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) aandoening waarbij de oogbollen zich onwillekeurige ritmisch bewegenTijdens een aanval kunnen de ogen op een specifieke manier bewegen (wiebeloog of triloog). Hierbij bewegen de ogen zich snel in een bepaalde richting en draaien langzaam terug.
- aanduiding voor een onwillekeurig samentrekkend ooglidNou dacht ik dat ik de enige was met zo'n triloog. Ik word er stapelgek van. Soms heb ik er maanden geen last van en dan weer weken constant achter elkaar door. Het voelt alsof er zand in mijn oog zit als het even niet trilt en alsof het half dicht zit als het trilt.
zelfstandig naamwoord
- (communicatie) gesprek tussen drie personen of groepenDeze dialoog, beter nog een triloog, tussen die drie groeperingen: oppositie, tussengroep en leiding van de regering en partij, op basis van het gemeenschappelijk Pool zijn, kan een aanzet bieden tot een oplossing.
- (regering) overlegprocedure in het wetgevend proces van de Europese Unie, tussen Parlement, Commissie en RaadIets te laat ben ik op de 13de etage van het Berlaymontgebouw, waar de triloog over de begroting '84 plaatsvindt. De parlementsdelegatie, bestaande uit mevrouw Scrivener, de rapporteur, en de heer Lange, de voorzitter van de begrotingscommissie is er al, de commissarissen Tugendhat en Andriessen zijn er ook, Thorn en Raadvoorzitter Georgiadis komen nog wat later binnen.
Etymologie
*In gevallen waar verwarring tussen [A] en [B] denkbaar is, kan volgens de toelichting bij spellingsregel 6.C en spellingregel 7.B een koppelteken worden gebruikt, zoals hieronder bij de vette lemmawoorden is gedaan.
Vertalingen
Engelstrialogue
Franstrilogue
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek