trips

mannelijk (de)/trɪps/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dierkunde (dierkunde) benaming voor insecten uit de orde , zeer kleine parasieten met rafelige vleugels
    De Russische grens is sinds 3 december gesloten voor Nederlandse groente, fruit en bloemen. De directe aanleiding is de vondst van een insect, de zogeheten trips, die al in juni in de bloemen is aangetroffen, maar nu ook de groenten en het fruit aantast.

Etymologie

*[B] "trip" met de uitgang -s