triptiek
vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- drieluik
- (juridisch) uit drie delen bestaand document
Etymologie
*afgeleid van het Griekse 'triptychon' -> 'ptuchè' (vouw)
Vertalingen
Franstriptyque
Spaanstríptico
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek