Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

trobi

/ˈtrobi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ruzie, lastige situatie
    Ze hadden trobi op straat, het liep helemaal uit de hand
    Ik heb trobi met mijn baas over mijn werkuren.
    Nou ja, in elk gezin komt er zo'n beetje trobi voor, maar we vilden elkaar gauw weer.

Etymologie

*, van """