tros
mannelijk (de)/trɔs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (biologie) bloeiwijze
- bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
- (scheepvaart) een uit minstens drie kardelen geslagen touw dat dikker is dan een lijn (4 cm omtrek)
- (militair) door een leger meegevoerde bagage en reserves en de daarbij gebruikte voertuigen en personen
Etymologie
*[4] via "Troß" van "trousse", in de betekenis van ‘legertros’ voor het eerst aangetroffen in 1542
Vertalingen
Engelsraceme, cluster, bunch
Fransgrappe, bouquet, trochet
DuitsTraube, Traube, Trosse
Spaanscorimbo, racimo, estacha
Italiaanscima, gomena, cavo
Portugeesespia, amarra
Zweedstross
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek