trut
vrouwelijk (de)/trʏt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheldwoord) (pejoratief) weinig aantrekkelijke en overdreven preutse vrouwWat moet je toch met dat stel trutten?Omdat vooral (oudere) vrouwen graag achter het stuur van een DAF-wagen zaten, kreeg de auto in de volksmond de grove bijnaam truttenschudder (soms met de toevoeging met jarretelaandrijving)
- vagina
Etymologie
* In de betekenis van ‘zeurderige vrouw’ voor het eerst aangetroffen in 1899
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek