tsaar
mannelijk (de)/tsaːr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (adel) vroegere Russische keizer (vóór de Oktoberrevolutie), vroegere Bulgaarse keizer
Etymologie
*(eponiem): via het Oudrussisch (en Oudslavisch) "цѣсарь" (cěsarĭ) en Gotisch "kaisar" afkomstig van caesar - Latijn voor (en de oorsprong van) keizer.
Vertalingen
Engelstsar, czar
Franstsar
DuitsZar
Spaanszar
Italiaanszar
Portugeesczar
Russischцарь
Chinees沙皇
Japansツァーリ
Poolscar
Zweedstsar
Deenszar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek