tui

mannelijk/vrouwelijk (de)/tœy/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kabel die gespannen wordt om iets dat rechtop staat meer stevigheid te geven.

Etymologie

*afgeleid van "tuien" zonder de uitgang -en

Vertalingen

Engelsbrace, cramp-iron
Spaansestay, tirante