tuig
onzijdig (het)/tœy̯x/
Wat is de betekenis van tuig?
tuig betekent: ding, voorwerp
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- ding, voorwerp
- (techniek) machine of gebruiksklare constructie, die is ingericht om een activiteit of bezigheid te verrichten of eenvoudiger te maken: rijden, spelen, varen enz.
- , geboefte, geteisem, lieden van laag allooi, slecht volk
- harnas, verzameling riemen waarmee een persoon of dier in bedwang gehouden kan worden
- (scheepvaart) de verzamelnaam voor alle zeilen, staand (vast) en lopend (beweegbaar) want, het touwwerk en de rondhouten die nodig zijn om een schip voort te bewegen en om een schip te laten ankeren
- vistuig
Voorbeelden van "tuig" in een zin
- Pas op anders gaat dat hele tuig in de fik.
- Als het tuig eenmaal in de ruimte is, begint de gewichtsloosheid een rol te spelen.
- Rondom Albert hield iedereen even de adem in. Toen barstte het geschreeuw los. De smeerlappen. Die moffen zijn nog geen steek veranderd, wat een smerig tuig! Barbaren, enz. En dan ook nog een jonge en een oude man! {{Aut|Lemaitre, Pierre
- Ik laat me door dat tuig niet in de wielen rijden.
- Woensdag trad Obama voor het eerst publiekelijk naar buiten als elder statesman. In een Zoom-verbinding met niet-witte jongeren sloeg hij een volstrekt andere toon aan dan Trump, die zich vooral heeft beperkt tot dreigementen en het zwartmaken van betogers als links tuig.
Etymologie
* In de betekenis van ‘toestel, gerei’ voor het eerst aangetroffen in 1500
Uitdrukkingen
- [3] "plebs, lieden van laag allooi"
- Dat is tuig van de richel. — Dat is tuig bij uitstek, dat zijn echt verkeerde mensen
Vertalingen
Engelsrig, thing, equipment
Spaansaparejo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek