tuit

mannelijk/vrouwelijk (de)/'tœyt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek, huishouden (techniek), (huishouden) schenkpijp aan een kan of ketel
    Een theeketel met tuit.
  2. spits toelopend einde
    De tuit van een muts.

Etymologie

*Regionale nevenvormen zijn toot en teut [B].

Vertalingen

Engelsspout
Fransverseur
DuitsTülle
Spaanspico
Italiaansbeccuccio
Portugeesbico
Russischносик
Chinees嘴子
Japans噴出口
Turks
Poolsdzióbek
Zweedspip