tumor

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) een gezwel
    Mijn besef kwam toen we hem naar de operatietafel brachten, waar de chirurg de tumor uit zijn maag zou snijden.
    De tumor in mijn hoofd bleek operabel en had nog geen vitale functies aangetast.
    De dokter moest haar het vreselijke nieuws over de tumor mededelen.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘zwelling’ voor het eerst aangetroffen in 1663

Vertalingen

Engelstumour, tumor
Franstumeur
DuitsTumor, Geschwulst
Spaanstumor
Zweedstumör