tunnel

mannelijk (de)/ˈtʏnəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) een kunstmatige ondergrondse doorgang, m.n. op autowegen
    Verderop loopt de weg een tunnel in.
    Een vrachtwagenchauffeur heeft zijn dak eraf gereden bij de Stationstunnel in Den Bosch. De wagen was te hoog om door de tunnel te rijden, maar daar kwam de bestuurder te laat achter. Het zou om een jonge chauffeur gaan die pas net zijn vrachtwagenrijbewijs heeft, maar het bedrijf uit Elshout waar de vrachtwagen van is wil niet verder op details ingaan. Omroep Brabant Maaike Cnossen 28-8-2019 [https://www.omroepbrabant.nl/nieuws/3059012/Jonge-chauffeur-bestuurde-vrachtwagen-die-dak-verloor-in-Stationstunnel-in-Den-Bosch-VIDEO Jonge chauffeur bestuurde vrachtwagen die dak verloor in Stationstunnel in Den Bosch]
    Omdat daar geen bruggenbouw mogelijk was geweest in de wintertijd. Dan moest je je uitsluitend bezighouden met het werken aan de tunnels.
  2. dierkunde (dierkunde) langwerpig hol [2]
  3. iets dat lang en overdekt is
    De AT, de Appalachian Trail, wordt ook wel de long green tunnel genoemd.

Etymologie

*uit het Engels tunnel

Vertalingen

Engelstunnel
Franstunnel
DuitsTunnel
Spaanstúnel
Italiaansgalleria, traforo, cunicolo
Japansトンナル
Turkstünel
Poolstunel
Zweedstunnel
Deenstunnel