tut
vrouwelijk (de)/tʏt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- niet al te slimme persoon (meestal een vrouw)
- speen, fopspeen
Etymologie
* In de betekenis van ‘tussenwerpsel: uitdrukking van ongeduld’ voor het eerst aangetroffen in 1567
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek