twisten
/ˈtwɪstə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) onenigheid hebbenHet scheidende echtpaar twistte openbaar over het lot van hun kinderen, maar tot een publieke veldslag kwam het nooit.
- (inerg) een heftige discussie voerenZij twistten over de vraag hoe de bermen in Nederland het best beheerd kunnen worden.
Etymologie
*afgeleid van twist
Vertalingen
Engelsquarrel, dispute, argue
Fransse quereller, se chamailler, argumenter
Duitssich streiten, sich streiten
Spaansalegar, altercar, bregar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek