uitbaatster

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrouw die een horeca-onderneming runt
    In de hoek van de kroeg staan twee grote koperen ketels en van de uitbaatster hoor ik dat ze hun eigen bier brouwen.
    Na een tijdje had de uitbaatster van het café dit door en ze zat de kwajongens achterna met een emmer water.

Etymologie

* afleiding van uitbater