uithuizigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het je niet in je eigen huis bevinden; het liever ergens anders zijn dan thuis
    Maar ik denk dat moeders (vaders ook, maar in iets mindere mate) goed naar hun kinderen kijken en hun werkzaamheid (uithuizigheid) op hen afstemmen. HP de Tijd BEATRIJSRITSEMA 29 DEC 2012 [https://www.hpdetijd.nl/2012-12-29/het-leven-draait-niet-alleen-om-economische-onafhankelijkheid/ Het leven draait niet alleen om economische onafhankelijkheid]
    Net als in al die andere plaatsen bedoeld om de heren onder elkaar ruimte voor vertier en ‘geoorloofde uithuizigheid’ te bieden. Met de in al die sociëteiten gangbare bezigheden: biljarten, kaarten, kegelen en keuvelen. En als uitvloeisel daarvan: zaken doen. Dat was toen zo, dat is nu nog zo. Hoewel golfbanen inmiddels een geduchte concurrent schijnen te zijn. Tubantia Roel Lutkenhaus 27-12-07 [https://www.tubantia.nl/oldenzaal/groote-societeit-van-oldenzaal-bestaat-honderdtien-jaar~aa79a240/ Groote Sociëteit van Oldenzaal bestaat honderdtien jaar]
    “Niet alleen het plein, ook de publieke ruimte in het algemeen heeft aan belang gewonnen,” constateert Hans Mommaas, hoogleraar Vrijetijdswetenschappen in Tilburg. Dat heeft volgens hem te maken met onze uithuizigheid. HP de Tijd MATT DINGS 10 JUL 2009 [https://www.hpdetijd.nl/2009-07-10/fijne-pleinen/ Fijne pleinen]

Etymologie

* afleiding van uithuizig

Vertalingen

Engelshabit of going out