uitje

onzijdig (het)/ˈœycə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gelegenheid waarbij mensen uitgaan en vertier zoeken
    We hebben er een gezellig uitje van gemaakt.
    Het zijn vaak korte, betaalbare uitjes.
zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) bol van gebruikt om voedsel op smaak te brengen
    Je kunt er ook wat uitjes in doen.

Etymologie

*[B] afgeleid van "ui"

Vertalingen

Engelsdate, evening out, little
DuitsBummel, Runde, Perlzwiebel