uitkeping

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een door verwijdering van materiaal ontstane gleuf
    loef: Uitkeping in een of in beide elkaar kruisende of snijdende constructiedelen, om ze te verbinden. (1989)–Herman Janse [https://www.dbnl.org/tekst/jans353hout01_01/jans353hout01_01_0035.php Houten kappen in Nederland 1000-1940]
    Voorloef: voorlog kleine inkeping van een stuk hout ter lengte van de breedte van een ander stuk hout, dat over het eerste heengaande er door een uitkeping mede vereenigd wordt. (1920)–Andries Vierlingh [https://www.dbnl.org/tekst/vier004trac01_01/vier004trac01_01_0007.php Tractaet van dyckagie]

Etymologie

* van uitkepen