uitlopen

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) lopend een ruimte verlaten
    Hij is woedend de kamer uitgelopen.
  2. erga (erga) nieuwe takjes en blaadjes krijgen
    De lente is vroeg en bomen lopen al uit.
  3. erga (erga) langer duren dan verwacht
    De vergadering liep uit.
  4. erga (erga) ~ op: resulteren in iets, als gevolg hebben
    Dat is uitgelopen op een grote nederlaag.
    Dus nu zou het zwemmen worden, daar liep het altijd op uit. Eerst zou Tarzan een beetje aan lianen slingeren tot hij bij een rivier of meer kwam, waar hij in dook en wegzwom van de krokodillen alsof het een makkie was.
  5. iets wandelend volbrengen
    Ik heb ver genoeg gelopen om te weten dat ik het kan uitlopen en ga het over een aantal jaar met de kinderen afmaken.
  6. de afstand vergroten
    Ondanks mijn goede conditie liep hij toch op mij uit.

Uitdrukkingen

  • Faliekant uitlopen (mislukken).
  • Uitlopen op iemand.

Vertalingen

Engelsleave, bud, sprout
Duitshinauslaufen, ausschlagen, austreiben
Spaansabrotoñar, retoñar, brotar