uitlopen
Betekenis
werkwoord
- (erga) lopend een ruimte verlatenHij is woedend de kamer uitgelopen.
- (erga) nieuwe takjes en blaadjes krijgenDe lente is vroeg en bomen lopen al uit.
- (erga) langer duren dan verwachtDe vergadering liep uit.
- (erga) ~ op: resulteren in iets, als gevolg hebbenDat is uitgelopen op een grote nederlaag.Dus nu zou het zwemmen worden, daar liep het altijd op uit. Eerst zou Tarzan een beetje aan lianen slingeren tot hij bij een rivier of meer kwam, waar hij in dook en wegzwom van de krokodillen alsof het een makkie was.
- iets wandelend volbrengenIk heb ver genoeg gelopen om te weten dat ik het kan uitlopen en ga het over een aantal jaar met de kinderen afmaken.
- de afstand vergrotenOndanks mijn goede conditie liep hij toch op mij uit.
Uitdrukkingen
- Faliekant uitlopen (mislukken).
- Uitlopen op iemand.
Vertalingen
Engelsleave, bud, sprout
Duitshinauslaufen, ausschlagen, austreiben
Spaansabrotoñar, retoñar, brotar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek