uitpraten
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- niets meer te vertellen hebbenNa uren zijn we nog niet uitgepraat.Hij raakte niet uitgepraat over zijn hobby.
- zonder onderbreking een verhaal afmakenLaat u me even uitpraten?Maar dat ze me niet lieten uitpraten. Daar ging het mij om. Ik wilde gewoon uitpraten. De zaken uitpraten. Uitpraten. Mijn zegje doen. Wat konden mij die badkamerproducten schelen? Ik wilde alleen maar geld. Geld, in ruil voor het acht uur lang aanprijzen van badkamerproducten. Laat me dan toch uitpraten! {{Aut|Sandes, David
- iets bespreken tot er een conclusie getrokken wordtWe hebben het probleem uitgepraat.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek