uitzeilen

/ˈœytsɛilə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. een zeilwedstrijd of zeiltocht tot het einde toe voltooien
    De 30-jarige Fries lag op het moment van de tegenslag in de kopgroep. Met de nodige improvisatie en reparatie kon Postma de race nog wel uitzeilen. Hij kwam als 20ste binnen, op bijna 10 minuten van de Deense winnaar Jonas Högh-Christensen. Tubantia 31 juli 2012 [https://www.tubantia.nl/sport/gebroken-lijn-voor-postma~aa9132f4/ Gebroken lijn voor Postma]
  2. iets zeilend verlaten
    Vanaf de sluis kunnen de deelnemers worden uitgezwaaid voordat ze de Westerschelde uitzeilen en aan de Noordzee oversteek beginnen. De Telegraaf 11 mei 2017 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/1348924/zeilers-herdenken-michiel-de-ruyter Zeilers herdenken Michiel de Ruyter]
    Maar de race om wie als eerste de doldrums kon uitzeilen, was nog niet gelopen. Een dag later schoof de hele vloot weer in elkaar, waarmee deze etappe eigenlijk een herstart kende. De Telegraaf 2 maart 2015 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/847405/we-hebben-inschattingsfouten-gemaakt "We hebben inschattingsfouten gemaakt"]

Vertalingen

Engelssail off, set sail, sail away