uitzien

/'œy̆t.sin/

Betekenis

werkwoord
  1. een zekere aanblik hebben: zie eruitzien
    Jij ziet er prachtig uit.
    In zijn bril zag ik mezelf weerspiegeld en ik constateerde dat ik er net zo verwilderd uitzag als hij.
    Een onbeschrijfelijk gevoel, net als verliefdheid, waardoor alles om je heen er mooier gaat uitzien.
  2. inerg (inerg) ~ naar een verlangen koesteren
    Daar zie ik echt naar uit.

Vertalingen

Engelslook, look forward to
Duitsaussehen
Spaansaparecer, anhelar