uur
onzijdig (het)/yr/
Wat is de betekenis van uur?
uur betekent: (tijdrekening), (eenheid) een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten, weergegeven met de afkorting u of h
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tijdrekening), (eenheid) een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten, weergegeven met de afkorting u of h
- tijdstip, ogenblik
Voorbeelden van "uur" in een zin
- Een dag bestaat uit 24 uur.
- Ik had het idee al uren te hebben gelopen, maar ik bleek pas 1 mijl, oftewel 1,6 kilometer, in de benen te hebben.
- Sommige stukken waren lastig, met steile hellingen waardoor het soms wel anderhalf uur duurde om een stuk van twintig meter over te steken.
- het is nu precies vijf uur
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bepaalde tijdseenheid (60 minuten)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Uitdrukkingen
- Eén uur van onbedachtzaamheid, kan maken dat men jaren schreit — één moment van onvoorzichtigheid kan verschrikkelijke gevolgen hebben
- Een uur gaans
- Het (Je/Zijn/Haar...) laatste uur heeft geslagen — Het is afgelopen, het is voorbij; m.n. gezegd m.b.t iemands naderende dood
- Het uur U/Het uur van de waarheid — Een bepaald moment waarop iets heel belangrijks gebeurt
- Het uur is gekomen — Het is tijd geworden voor iets belangrijks
- Te elfder ure — Pas heel laat/in een laat stadium/net voor het einde, ~ op de valreep
Vertalingen
Engelshour, o'clock
Fransheure
DuitsStunde, Uhr
Spaanshora
Italiaansora, 時間
Russischчас
Japans時
Poolsgodzina
Zweedstimme
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek