vaarde
/ˈvardə/
Betekenis
werkwoord
- enkelvoud verleden tijd van varenWerkwoord_2 (onpersoonlijk): "niet meevallen"En dichten? Voor wie, voor wat zou hij nu gaan dichten? Uit de wereld waarin hij leefde, kwamen niet meer die aandrang en nood. Het vaarde hem al te zeer; de eerste, dikke waterstraal uit de bronne was uitgeloopen, en weinig versch water uit den schoot der aarde kwam toe om haar te voeden.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek