vaargeul

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈvarɣøl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een relatief smalle strook in een groter water die geschikt is om te bevaren
    De botsing was ontstaan doordat het kleine schip de vaargeul niet had opgemerkt.
  2. een strook bevaarbaar water tussen twee zandbanken
    Bij eb werd de vaargeul bijzonder smal, maar gelukkig waren de zandbanken goed zichtbaar.

Vertalingen

Engelschannel, channel
Franschenal, couloir
DuitsFahrrinne, Fahrtrinne, Fahrrinne
Spaansespacio o camino abierto
Deenssejlløb, sejlrende, sejlløb