vaarseizoen

onzijdig (het)/ˈvarsɛizun/

Wat is de betekenis van vaarseizoen?

vaarseizoen betekent: (geschiedenis) periode van het jaar waarin de overheersende windrichtingen en andere omstandigheden voor zeilschepen gunstig zijn om hun bestemming te bereiken

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geschiedenis (geschiedenis) periode van het jaar waarin de overheersende windrichtingen en andere omstandigheden voor zeilschepen gunstig zijn om hun bestemming te bereiken
  2. periode van het jaar waarin volgens dienstregeling wordt gevaren
  3. deel van het jaar met naar verhouding veel pleziervaart

Voorbeelden van "vaarseizoen" in een zin

  • Deze Nederlandse vloot had niet de minste oefening en toen zij in oktober, op last van Den Haag, in zee stak had zij - om welke redenen dan ook - een geheel vaarseizoen werkeloos voor anker gelegen.
  • Het vaarseizoen van het Kozakkenveer zit er op.
  • De winter is zacht en als het zo doorgaat liggen veel boten in het water voor het traditionele begin van het vaarseizoen met Pasen.