vaarseizoen
onzijdig (het)/ˈvarsɛizun/
Wat is de betekenis van vaarseizoen?
vaarseizoen betekent: (geschiedenis) periode van het jaar waarin de overheersende windrichtingen en andere omstandigheden voor zeilschepen gunstig zijn om hun bestemming te bereiken
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geschiedenis) periode van het jaar waarin de overheersende windrichtingen en andere omstandigheden voor zeilschepen gunstig zijn om hun bestemming te bereiken
- periode van het jaar waarin volgens dienstregeling wordt gevaren
- deel van het jaar met naar verhouding veel pleziervaart
Voorbeelden van "vaarseizoen" in een zin
- Deze Nederlandse vloot had niet de minste oefening en toen zij in oktober, op last van Den Haag, in zee stak had zij - om welke redenen dan ook - een geheel vaarseizoen werkeloos voor anker gelegen.
- Het vaarseizoen van het Kozakkenveer zit er op.
- De winter is zacht en als het zo doorgaat liggen veel boten in het water voor het traditionele begin van het vaarseizoen met Pasen.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek