vaccin

onzijdig (het)/vɑkˈsɛ̃/

Wat is de betekenis van vaccin?

vaccin betekent: (medisch) uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen

Betekenis en uitleg van vaccin

Een vaccin is een middel dat je lichaam helpt om immuniteit op te bouwen tegen een specifieke ziekte. Het bevat vaak een verzwakte of dode vorm van een ziekteverwekker, zodat je immuunsysteem leert deze te herkennen en te bestrijden.

Het woord 'vaccin' wordt vaak gebruikt in de gezondheidszorg, vooral in de context van immunisatie. Vaccins zijn essentieel voor het voorkomen van besmettelijke ziekten en worden meestal toegediend in de kindertijd, maar ook volwassenen krijgen soms vaccinaties, bijvoorbeeld tegen griep of COVID-19. Het gebruik van vaccins kan een belangrijke rol spelen in het beschermen van de volksgezondheid en het uitroeien van bepaalde ziekten.

Voorbeelden

  • Na haar vaccinatie voelde ze zich een stuk veiliger tegen de griep.
  • De overheid heeft een campagne gelanceerd om meer mensen aan te moedigen zich te laten vaccineren tegen COVID-19.
  • Het vaccin dat tegen mazelen beschermt, is een essentieel onderdeel van het vaccinatieschema voor kinderen.

Woordoorsprong

Het woord 'vaccin' is afgeleid van het Latijnse 'vacca', wat 'koe' betekent, aangezien het eerste vaccin ontwikkeld door Edward Jenner in 1796 gebruik maakte van het koepokkenvirus.

Veelgestelde vragen over vaccin

Wat is de betekenis van vaccin?

vaccin betekent: (medisch) uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen

Welk woordgeslacht heeft vaccin?

vaccin is een onzijdig (het).

Wat zijn synoniemen van vaccin?

Synoniemen van vaccin zijn: vaccine.

Etymologie

*van """, in de betekenis van ‘entstof’ aangetroffen vanaf 1805

Vertalingen

Engelsvaccine
Fransvaccin
DuitsImpfstoff, Vakzin
Spaansvacuna
Italiaansvaccino
Japansワクチン
Poolsszczepionka