vaccinatie
vrouwelijk (de)/ˌvɑksiˈna(t)si/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) inenting met onschadelijke gemaakte ziekteverwekkers, zodat de natuurlijke afweer van het lichaam hierna beter in staat is deze ziekteverwekkers te bestrijden
Etymologie
*van "vaccination", op te vatten als van vaccineren ; in de betekenis van ‘inenting met koepokstof’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Vertalingen
Engelsvaccination
Fransvaccination
DuitsImpfung, Vakzination, Vakzinierung
Spaansvacunación
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek